Hoger beroep in zaak ’Albanezen’ in Emmen
Hoofdverdachte ontkent beschuldigingen
LEEUWARDEN/EMMEN – Zeven jaar celstraf. Dat eiste het openbaar ministerie (OM) gisteren in hoger beroep tegen D.B. (40) uit het Duitse Wilhelmshaven. B. wordt gezien als de leider van ’de Albanezen’, een bende die volgens het OM in 2007 en 2008 in Emmen in korte tijd de drugshandel overnam en horecaondernemers afperste.
Zijn broer I.B. (42) uit Emmen hoorde bij het gerechtshof in Leeuwarden 2,5 jaar cel tegen zich eisen, net als zijn 24-jarige plaatsgenoot K.B. Tegen Emmenaar L.L. (24) en H.H. (30) uit Tilburg eiste de advocaat-generaal twee jaar.
De vijf gingen in hoger beroep omdat ze in hun ogen in augustus 2009 door de Assen rechtbank onterecht zijn veroordeeld. De eisen waren gisteren gelijk aan de straffen van de rechtbank, alleen die van D.B. viel een jaar hoger uit.
Het OM ziet hem als bendeleider en I.B. en H.H. als handlangers. K.B. en L.L. waren ’verkenners’. Zij moesten de contacten leggen in de drugswereld, waarna de broers en H. de dealers dwongen voor hen te gaan werken. De Albanezen veroorzaakten enorm veel angst in Emmen, meende het OM.
D.B. beriep zich eerder op zijn zwijgrecht, maar legde gisteren wel een verklaring af. De verhalen over grof geweld en intimidatie waren volgens hem onzin. Er was geen bende.
In 2007 kwamen de mannen vaak in Café Bar Emmen, waar hij een tijdje als portier werkte. B: “Er werd om grof geld gepokerd. Ik werkte samen met de eigenaar en liet na elf uur ’s avonds alleen mensen binnen die kwamen om te gokken, anders niet. Daarbij heb ik wel eens geweld gebruikt. Dat klopt. Zo zijn de verhalen in de wereld gekomen, maar de feiten zijn zó verdraaid!” B. bekende enkel één geval van afpersing, waarbij hij een man 400 euro had afgetroggeld.
In ruil voor zijn portierswerk mocht hij naar eigen zeggen meedelen in gokopbrengsten van de kroeg. De eigenaar verklaarde bij de politie juist dat hij een paar jaar lang niks te zeggen had in zijn eigen zaak, omdat de Albanezen die hadden overgenomen.
De voorzitter van het hof noemde het onbegrijpelijk dat B. nu pas met een verklaring kwam. “Als uw verhaal klopt en u had het eerder verteld, dan was u misschien allang op vrije voeten geweest”, opperde hij.
B.’s raadsman Peter Plasman benadrukte dat er nooit drugs of wapens waren gevonden en het OM als enig bewijs verklaringen van criminele getuigen en een medeveroordeelde had. Volgens hem hadden veel getuigen zich bovendien schuldig gemaakt aan de ’schone kunst van het schromelijk overdrijven’ om hun eigen straatje schoon te vegen.
Uitspraak: 3 februari.

